Home “Zorg en welzijn kunnen niet zonder elkaar”

“Zorg en welzijn kunnen niet zonder elkaar”

Welzijnsmedewerkers zijn van nature gewend om samen te werken, omdat je bijna niets alleen kunt doen. Neem eenzaamheid of armoede: dat zijn niet alleen welzijnsvraagstukken, daar komen huisartsen net zo goed mee in aanraking.

We spreken Eke Gerritsma in Wijk- en Dienstencentrum De Groene Loper in Voorburg. Een plek waar ontmoeting, ontwikkeling en ondersteuning samenkomen. Terwijl in de ontmoetingsruimte buurtbewoners een potje biljarten, vertelt Eke over haar werk als Coördinator Welzijn binnen Wijken Gezonder.

Eke, kan je wat meer vertellen over de locatie van vandaag?

“Dit is De Groene Loper, een wijk- en dienstencentrum waar van alles gebeurt. Bewoners komen hier om elkaar te ontmoeten, samen te bewegen of gewoon iets leuks te doen voor de wijk. Maar er is ook sociaal-juridische dienstverlening, taallessen, en een kledingbank gerund door vrijwilligers. Eigenlijk alles wat bijdraagt aan een beter, leuker en gezonder leven. Dat typeert welzijn: ontmoeting én ontplooiing.”

Wat is jouw rol binnen Wijken Gezonder precies?

Eke Gerritsma, coördinator welzijn binnen Wijken Gezonder“Ik werk voor welzijnsorganisatie Woej, maar daarnaast ben ik Coördinator Welzijn binnen Wijken Gezonder. Mijn rol is vooral verbindend: zorgen dat welzijn goed gepositioneerd en goed vindbaar is binnen de wijksamenwerkingsverbanden (WSV’s) én de brug slaan naar het regionaal eerstelijnssamenwerkingsverband (RESV). Concreet betekent dat: uitleggen wat welzijn is, mensen aan elkaar verbinden, en duidelijk maken hoe zorg en welzijn elkaar kunnen versterken.”

Waarom was die rol nodig?

“Om welzijn goed te vertegenwoordigen binnen Wijken Gezonder en een volwaardige plek te geven naast zorg. Inmiddels is er al een tijdje een welzijnstafel in de regio Haaglanden, waar directeuren van welzijnsorganisaties samenkomen om af te stemmen: hoe werken we goed samen en hoe sluiten we aan bij de zorg? Wijken Gezonder is daar sinds kort ook een onderwerp. Het mooie is dat we welzijn steeds sterker en meer gezamenlijk neerzetten.”

Hoe ziet voor jou een gemiddelde werkweek eruit?

“Ik werk zes uur per week als Coördinator Welzijn, dus het is veel afstemmen op hoofdlijnen. Dat varieert van overleg met bijvoorbeeld de manager van het RESV over de positie van welzijn, tot gesprekken met wijkcoördinatoren. Die zeggen dan bijvoorbeeld ‘Ik kom uit de zorgwereld en weet eigenlijk weinig van welzijn. Waar kan ik beginnen en wie kan ik betrekken bij de samenwerking in de wijk?’ Dan denk ik met ze mee: welke partijen zijn er in de wijk, welke initiatieven lopen al, en hoe kun je samen projecten opzetten en wat is daarin de toegevoegde waarde van welzijn.”

Houd je dan ook een sociale kaart bij van alle welzijnspartners?

“Ik houd bewust geen sociale kaart bij. Dat vind ik echt iets van de wijkpartners zelf: zij kennen hun wijk veel beter dan ik. Wat ik wél meebreng, is jarenlange ervaring in het welzijn. Daardoor zie ik hoe welzijn en zorg elkaar kunnen versterken en waar zorg ontlast kan worden. Ik kan partijen aan elkaar koppelen. Bijvoorbeeld bij valpreventie ligt vaak ook een rol voor de apotheek, omdat medicijngebruik duizeligheid kan veroorzaken. Door die verbindingen te leggen, ontstaat er echt meerwaarde.”

Dit is De Groene Loper, een wijk- en dienstencentrum waar van alles gebeurt. Bewoners komen hier om elkaar te ontmoeten, samen te bewegen of gewoon iets leuks te doen voor de wijk.

 

Hoe gaat dat tot nu toe, het positioneren van welzijn in de wijken?

“Eigenlijk best goed. Welzijnsmedewerkers zijn van nature gewend om samen te werken, omdat je bijna niets alleen kunt doen. Neem eenzaamheid of armoede: dat zijn niet alleen welzijnsvraagstukken, daar komen huisartsen net zo goed mee in aanraking. Door de WSV’s krijgen die bestaande samenwerkingen een extra impuls, en is de verbinding met welzijn beter. Steeds meer zien en horen we: gezondheidsproblematiek ís vaak ook welzijnsproblematiek, en andersom. Je kunt simpelweg niet zonder elkaar.” Een mooi voorbeeld hiervan is sociaal verwijzen. Een huisarts die merkt dat een probleem niet alleen medisch is en verwijst door naar welzijn. Dan kijken we samen verder dan alleen de klacht: hoe kan iemand zich ontwikkelen, waar is behoefte aan ondersteuning en hoe kan iemand (weer) in contact komen met anderen? Zo voorkom je dat alles gemedicaliseerd wordt en help je mensen echt verder.”

Welke signalen neem je mee uit de praktijk?

“Mandatering was lang een groot vraagstuk: wie mag namens wie spreken? Vanuit de welzijnstafel hebben we daar nu duidelijke afspraken over gemaakt. Dat helpt enorm.
Maar samenwerken blijft hard werken. Je zet kaders neer, maar daarna moet het landen in de praktijk. Energie vasthouden is belangrijk, en realistisch zijn: het zal niet altijd makkelijk zijn.”

Wat denk jij dat de kracht van een WSV is?

“Dat de wijk aan zet is. Je kijkt samen met de betrokkenen in de wijk: wat speelt hier en wat vinden wij belangrijk? In plaats van dat er van bovenaf wordt besloten, biedt een WSV, weliswaar binnen de structuren,  ruimte om lokaal te prioriteren en samen oplossingen te kiezen die aansluiten bij de wijk. Het RESV is daarbij onmisbaar, omdat het faciliteert en signalen uit de wijken ook regionaal en politiek hoorbaar maakt. Daar ligt voor mij ook een belangrijke rol.”

Waar hoop jij dat het RESV het verschil maakt?

“Door een stabiele basis te bieden, zodat WSV’s zich kunnen richten op samenwerking zonder zich zorgen te maken over randvoorwaarden. Zoals continuïteit, financiering of draagvlak. Dan kun je echt bouwen aan duurzame samenwerking.”

Hoe zie jij de toekomst van zorg en welzijn?

“Voor mij gaan ze hand in hand. Met positieve gezondheid zie je dat al steeds duidelijker. Ik hoop dat mensen eerder op de juist plek terecht komen, zodat problemen niet opstapelen. Idealiter voelen mensen zich gehoord en durven ze hulp te zoeken, zonder dat ze hun problemen eerst een lange tijd alleen te moeten dragen. Want dat kan echt heel zwaar en uitzichtloos voelen.”

Welke rol zie je voor inwoners binnen het WSV?

“Die rol wordt steeds belangrijker. Als WSV kun je bewoners veel actiever betrekken, maar wel op een manier die past bij de wijk. Het begint eigenlijk met het uitsteken van een hand naar bewoners, en dat moet je op jouw eigen manier doen. In de ene wijk werkt een oproepje in het lokale krantje prima, terwijl het in een andere wijk veel beter is om aan te sluiten bij bestaande initiatieven. Het gesprek is daarin essentieel: we vinden inspraak belangrijk, maar hoe zien bewoners dat zelf? En op welke manier willen zij betrokken worden? Juist door samen het gesprek aan te gaan over wederzijdse verwachtingen, ontstaat echte betrokkenheid.”Als WSV kun je bewoners veel actiever betrekken, maar wel op een manier die past bij de wijk.

Tot slot: wie mogen we volgens jou hierna interviewen?

“Ellen Binnema, zij is wijkcoördinator in Scheveningen en Leidschendam-Voorburg. Ze heeft een heel duidelijke visie op hoe zij het WSV waar zij actief is vormgeeft. En ik zou het ook mooi vinden om een keer een welzijnspartij centraal te zetten, bijvoorbeeld Marije Talstra van We Zijn Transvaal. Daar zie je enorme betrokkenheid.”